Pensioen via de werkgever in hoofdlijnen

Hoe werkt het opbouwen van pensioen via je werkgever, bij een pensioenfonds of verzekeraar? En hoeveel draagt je werkgever daaraan bij en hoeveel jij als werknemer? Bij Loonwijzer vind je alles wat je wilt weten over het opbouwen van pensioen via je werkgever.

Pensioenfondsen en verzekeraars

Werkgevers brengen de pensioenregeling onder bij een pensioenfonds of een verzekeraar. Dat gebeurt voor zo’n 90% van de Nederlandse werknemers. Het overgrote deel van deze werknemers is aangesloten bij een collectief pensioenfonds. Zo’n pensioenfonds heeft geen winstoogmerk. Verzekeraars hebben dat wel.

Wie betaalt het aanvullend pensioen?

Zowel werknemers als hun werkgever betalen mee aan deze pensioenpot voor later. Alleen in een paar grote bedrijven betaalt de werkgever alles. Doorgaans is de werkgeverspremie wat hoger dan de werknemerspremie, maar hoeveel verschilt per pensioenfonds. De verhoudingen variëren van 70% voor de werkgever en 30% voor de werknemer tot 50% voor beide partijen. Op je loonstrook staat de pensioenpremie vermeld. Ook in de Bruto/Netto-Check is voor een stuk of 50 sectoren de pensioenpremie van de werknemer én de werkgever inzichtelijk gemaakt.

Pensioenpremie op loonstrook en in jaaropgave

Pensioen is na het loon de duurste arbeidsvoorwaarde. Je werkt er minstens een halve dag in de week voor. Op je salarisstrook behoort opgenomen te staan hoeveel pensioenpremie is ingehouden op je brutoloon. Vrijwel alle werkgevers vermelden dan ook meteen hoeveel pensioenpremie zijzelf voor hun rekening nemen. In de jaaropgave nemen werkgevers wat minder vaak deze bedragen op, want meestal is de jaaropgaaf beperkt tot hetgeen de werknemer moet weten voor de belastingaangifte.

Risicodeling in collectieve pensioenfondsen

Uitgangspunt bij de pensioenfondsen is dat de risico's gedeeld worden door de collectiviteit. Dan kun je bijvoorbeeld denken aan het 'risico' om heel oud te worden (en dus heel lang pensioen te krijgen). Vanuit het fonds wordt ook het pensioenrisico van arbeidsongeschiktheid gedeeld. In die situaties valt de werkgever weg, en dus ook de werkgeversbijdrage voor het pensioen. Het pensioenfonds voorziet in deze leemte: in de meeste gevallen kan de pensioenopbouw zonder premiebetaling worden voortgezet. Soms is er zelfs een aanvullend arbeidsongeschiktheidspensioen.

Verder is er nog het risico van overlijden. Pensioenfondsen voorzien in een nabestaandenpensioen zonder dat een deelnemer daar extra premie voor betaalt.

Een andere vorm van risicodeling zit in de uitvoering. Door de collectieve uitvoering worden schaalvoordelen behaald en beleggingsrisico's van het opgebouwde kapitaal gespreid, waardoor rendementen hoger en beter geborgd zijn.

Actieve deelnemers, slapers en gepensioneerden

De meeste werknemers die pensioen opbouwen doen dat bij een pensioenfonds. Wie pensioen opbouwt, is een 'actieve deelnemer'. Deelnemers die nog niet met pensioen zijn, maar ook niet meer pensioen opbouwen in het fonds, worden 'slapers' genoemd. Ze bouwen geen pensioen meer op omdat ze van baan veranderd zijn, werkloos zijn geraakt of omdat ze als zelfstandige zijn gestart.

Er zijn pensioenfondsen die in sommige situaties de mogelijkheid bieden voor vrijwillige voortzetting van deelname, tegen betaling van de volledige premie. Dan blijf je actief deelnemer met betere perspectieven op indexatie (compensatie voor inflatie en/of loonstijging). Als slaper blijf je recht houden op uitkering van je opgebouwde pensioen op pensioenleeftijd. Qua indexering loop je in hetzelfde regime als de gepensioneerden. Dat is bij wet zo geregeld. Voor de meeste gepensioneerden en slapers was er echter niet of nauwelijks indexatie de afgelopen tien jaar.

Verplichte deelname, maar geen pensioenplicht

Werkgevers en vakbonden maken afspraken over pensioen in de cao. Die afspraken gelden voor iedereen die onder de cao valt. Als een werkgever een pensioenregeling aanbiedt, moeten alle werknemers in het bedrijf deelnemen. Er bestaat echter geen pensioenplicht in Nederland. Daardoor neemt ongeveer 10% van de werknemers niet deel aan een pensioenregeling. Wel kan de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SZW) deelname aan een bedrijfstakpensioenfonds verplicht stellen. Dat is vergelijkbaar met het Algemeen Verbindend Verklaren van cao's.

Hoeveel pensioen bouw ik op?

De pensioenuitvoerder zelf moet elke actieve deelnemer jaarlijks informeren over het pensioen dat deze tot dat moment heeft opgebouwd. Het Uniform Pensioen Overzicht (UPO) is een wettelijke verplichting uit de Pensioenwet. Ook slapers, gewezen deelnemers, gewezen partners en gepensioneerden behoren jaarlijks geïnformeerd te worden. Als de informatie op de website van de pensioenuitvoerder te vinden is, mag het jaarlijks informeren voor de laatste groepen ook beperkt blijven tot eens in de vijf jaar.

Op Mijnpensioenoverzicht.nl is te vinden hoeveel pensioen je in de eerste en tweede pijler hebt opgebouwd, wanneer je met pensioen kunt gaan en wat je dan (mogelijk) krijgt. Ook vind je daar wat je nabestaanden zouden krijgen en welke gebeurtenissen van invloed kunnen zijn op de hoogte van je pensioen. Inloggen kan met DigiD. Let op: het blijven indicaties, zoals ook in de veelgestelde vragen van Mijnpensioenoverzicht.nl staat uitgelegd.

Hoe sluit de tweede pijler aan op de eerste?

Het pensioen vanuit de werkgever is bedoeld als aanvulling op het basispensioen, de AOW. Over die basis hoef je dus geen aanvullend pensioen op te bouwen, alleen over het salaris daarboven. Dat grensbedrag heet franchise.

Het pensioenmodel gaat uit van veronderstellingen. Dat geldt bijvoorbeeld voor de hoogte van jouw AOW als je met pensioen gaat. Ook veronderstelt het model dat de waarde van je pensioenopbouw beschermd kan worden tegen inflatie en over dat je je hele werkende leven aanvullend pensioen opbouwt, wel 40 jaar lang.

De realiteit is echter dat er veel kan veranderen in die 40 jaar, zowel in jouw leven als in de (pensioen)wereld.

70% eindloon of 75% middelloon?

Een jaar of 30 geleden was het nog heel gewoon om als pensioendoelstelling een pensioeninkomen van 70% van het laatst verdiende loon na te streven (inclusief AOW). Dit zou dan bereikt zijn na 40 aaneengesloten jaar pensioenopbouw, tussen 25 en 65 jaar. In de praktijk haalden maar heel weinig werknemers een dergelijk pensioeninkomen. Dat kwam onder andere door het AOW-gat en een hoge franchise. In feite werd in het pensioenmodel de eerste pijler (de AOW) te hoog ingeschat.

Daarom zijn veel pensioenregelingen aan het begin van de 21e eeuw overgestapt op een middelloonregeling: een doelstelling om als pensioeninkomen 70% of zelfs 75% van het gemiddeld verdiende loon te krijgen, na een opbouw van 40 jaar. De regelingen die overstapten naar middelloonsystematiek lieten dit gepaard gaan met een verlaging van de franchise, zodat nu over een groter deel van het salaris pensioen wordt opgebouwd.

Twee types pensioenregeling

Op hoofdlijnen zijn er twee types pensioensystemen:

Pensioenuitkering in het vooruitzicht

Zowel bij het middelloon- als het eindloonmodel is het uitgangspunt dat er een bepaalde pensioenuitkering wordt 'toegezegd' of in het vooruitzicht wordt gesteld. 'Uitkeringsovereenkomst' of 'defined benefit' heet dat in pensioenjargon. De uitkering die in het vooruitzicht wordt gesteld, is echter minder zeker dan het op het eerste gezicht lijkt. Het gaat ervan uit dat je tot je pensioendatum in hetzelfde fonds blijft. Bovendien moet het opgebouwde pensioen geïndexeerd kunnen worden, omdat inflatie de toekomstige uitkering anders minder waard maakt.

Of er geïndexeerd kan worden, hangt af van de financiële positie van het fonds. Als de rendementen van het pensioenfonds ontoereikend zijn kan het ook zijn dat de pensioenpremie hoger moet worden. Dat verhoogt de loonkosten. Daar zitten werkgevers en ook werknemers niet op te wachten.

Dekkingsgraad

Om de toekomstige pensioenuitkeringen te garanderen moeten pensioenfondsen voldoende dekkingsgraad hebben. Dat cijfer geeft aan wat de financiële positie van het fonds is. Pensioenfondsen zijn wettelijk verplicht om een buffer te hebben: extra geld voor als het financieel tegenzit. Als de dekkingsgraad te lang te laag is, dan moet een fonds de pensioenen verlagen, zowel de pensioenen van de gepensioneerden als de pensioenaanspraken van de actieve deelnemers (en de slapers). Zo zeker is het vooruitzicht van de pensioenuitkering in de middel- en eindloonregelingen dus niet.

Beschikbare-premieregeling

Een andere type pensioenregeling is de premieovereenkomst. De werkgever betaalt een vaste premie aan de pensioenuitvoerder (inclusief het eventuele werknemersdeel) en daarmee wordt pensioen opgebouwd. De premies worden vaak belegd. De hoogte van het uiteindelijke pensioen is afhankelijk van de beleggingsopbrengsten. Pas op de pensioendatum wordt bekend hoe hoog het pensioen zal zijn. Dit type pensioenregeling komt veel minder voor dan de middelloonregeling die een bepaalde uitkering in het vooruitzicht stelt.

Met 21 jaar begin je pensioen op te bouwen

Werkgevers die deelname aan een pensioenregeling aanbieden, moeten dat in principe aan alle werknemers in hun bedrijf doen, behalve als die jonger zijn dan 21 jaar. Dat staat in de Pensioenwet. Er mag een wachttijd gelden, maar niet langer dan twee maanden. Alleen voor uitzendkrachten is in de Pensioenwet een uitzondering gemaakt: daar is de wachttijd van een half jaar toegestaan.

Toch zullen, vooral in pensioenregelingen met een hoge franchise, jonge werknemers niet altijd meteen pensioen opbouwen. Je moet namelijk meer verdienen dan het drempelbedrag of de franchise. Aanvullend pensioen bouw je immers alleen op over het inkomen dat hoger is dan dat bedrag.

Ook in deeltijd bouw je pensioen op

Deeltijders zullen met hun deeltijdinkomen lang niet altijd het drempelbedrag of franchise halen. Voor hen is echter wettelijk bepaald dat zij naar evenredigheid pensioen moeten opbouwen. De tijd dat deeltijders niet mee mochten doen met een pensioenregeling ligt al lang, en veel procedures tot aan de hoogste rechter, achter ons. Het pensioengat uit het verleden, ontstaan door de jaren dat deeltijders niet mee mochten doen, is echter lang niet voor iedereen gedicht.

Levenslange pensioenuitkering

Een kenmerk van de meeste pensioenregelingen in de tweede pijler is dat ze voorzien in een levenslange pensioenuitkering en niet in een uitkering gedurende een vooraf vastgesteld aantal jaren. Dat laatste is wel een kenmerk van veel voorzieningen in de derde pijler.

Pensioen uitruilen

Er zijn de laatste 10 à 15 jaar in veel pensioenregelingen verschillende mogelijkheden gecreëerd om pensioen meer op iemands persoonlijke situatie te kunnen toespitsen. Dat is allemaal begonnen met een wettelijke verplichting (sinds 2002) om het nabestaandenpensioen op de pensioendatum te kunnen uitruilen voor een wat hoger ouderdomspensioen. Dit kwam tegemoet aan de wensen van alleenstaandenorganisaties: aan het nabestaandenpensioen betaalde iedereen mee, ook wie niet gehuwd was.

Voor de keus van een hoger ouderdomspensioen is wel de handtekening van een eventuele partner vereist. Die ziet namelijk af van het recht op nabestaandenpensioen.

Vanaf 2002 volgden andere keuzemogelijkheden om stukjes pensioen uit te ruilen: bijvoorbeeld deeltijdpensioen of een eerder of juist later ingaand ouderdomspensioen. Welke keuzemogelijkheden er zijn, verschilt per pensioenfonds, net als de benamingen. Kijk voor meer informatie bij je eigen fonds. Pensioenfondsen zijn wettelijk verplicht om hun (gewezen) deelnemers te voorzien van begrijpelijke informatie over de inhoud van de regeling én over alle keuzemogelijkheden: 'Pensioen 1-2-3' heet dat op de website van je pensioenfonds.

Pensioen en de fiscus

Je betaalt je pensioenpremie uit je brutoloon. De pensioenaanspraak bij je pensioenfonds, die je zo 'opbouwt', hoort niet tot je vermogen voor de belastingheffing in box 3. Pas als je met pensioen gaat, moet je belasting betalen: over je pensioenuitkering. Dit heet de omkeerregeling. De fiscus loopt hierdoor nu geld mis en krijgt dat later, als je met pensioen gaat, gedeeltelijk terug. Wie AOW krijgt, zit namelijk in een extra, lagere, eerste belastingschijf.

Opbouw van pensioen in de tweede pijler is door deze belastingvoordelen niet onbeperkt toegestaan. Er zijn grenzen, die in 2014/2015 versoberd zijn. Zolang je niet meer pensioen opbouwt per jaar dan past in de pensioendoelstelling van maximaal 80% middelloon bij 42 deelnemingsjaren, dan is het goed. Je werkgever bewaakt samen met het pensioenfonds deze fiscale grenzen. Sommige pensioenregelingen benutten niet het hele fiscale kader. Dat kun je vinden op het Uniform Pensioen Overzicht onder 'A-factor'. Dan mag je individueel in de derde pijler nog extra pensioen opbouwen en aftrekken van de belasting.

Per 2015 is het pensioengevend salaris afgetopt. Wie meer verdient dan ruim € 110.000 moet over dat meerdere zelf iets regelen. Dat is dan zonder fiscale aftrekmogelijkheden. Ook kan diegene natuurlijk besluiten genoegen te nemen met een lagere pensioenopbouw dan 70% van het gemiddeld verdiende salaris. Een andere mogelijkheid is om bij het pensioenfonds in de tweede pijler vrijwillig een nettopensioen te sparen.

Nadere uitwerking pensioenakkoord regering sociale partners

Na het pensioenakkoord van regering en sociale partners in juni 2019 zijn de partijen samen met de pensioenfondsen en de verzekeraars aan de slag gegaan met de nadere uitwerking van het nieuwe pensioencontract. In juni/juli 2020 is overeenstemming bereikt over:

  • Het pensioen wordt persoonlijker: deelnemers krijgen jaarlijks een overzicht hoeveel premie is ingelegd, hoeveel rendement is gemaakt en hoeveel pensioen je mag verwachten in drie scenario’s (optimistisch, midden en pessimistisch);
  • De pensioenpremie is voor deelnemers met hetzelfde salaris gelijk (deeltijders naar rato), ook bij beschikbare premieregelingen, en levert voor jongeren meer op aan pensioen omdat de inleg langer rendeert;
  • Pensioenvermogen wordt belegd voor de toekomst, maar de wettelijk vereiste dekkingsgraad voor de fondsen verdwijnt. Per deelnemer worden plussen en minnen in het rendement deels verwerkt in het opgebouwde pensioenvermogen;
  • Een ander deel van het rendement gaat naar een solidariteitsreserve, zodat schokken gedempt kunnen worden als het slechter gaat met het rendement. Deze solidariteitsreserve draagt bij aan risicodeling tussen generaties en aan de stabiliteit van de pensioenen.
  • Elk pensioenfonds moet leeftijdsgroepen die nadeel ondervinden bij de overgang van het oude naar het nieuwe pensioencontract zoveel mogelijk compenseren voor dit nadeel;
  • Beschikbare premieregelingen, met leeftijdsgerelateerde premiestaffels, mogen ongewijzigd doorgaan voor zittende werknemers. Nieuwe werknemers starten wel in de nieuwe systematiek;
  • Nabestaandenpensioenen worden geüniformeerd.

De afspraken moeten worden omgezet in wetgeving en de reglementen van de pensioenfondsen moeten daarop aangepast worden. Pensioenuitvoerders moeten ook een plan maken voor de overgang van het oude pensioencontract naar het nieuwe. Dat moet allemaal vóór 2026 geregeld zijn.
Lees voor meer informatie de reactie van de FNV en van de Pensioenfederatie (zie ook haar tweede reactie).

Meer weten over de tweede pijler van het pensioen? Bekijk Loonwijzers veelgestelde vragen over pensioen via de werkgever

Handige links

Hoe is het bij jou geregeld?

loading...

Loading...
<!-- 13436254/loonwijzer_ROS_Inarticle --> <div id="div-gpt-ad-loonwijzer_ros_inarticle";> <script> googletag.cmd.push(function() { googletag.display('div-gpt-ad-loonwijzer_ros_inarticle'); }); </script> </div>